Behandelingen

 

Implantaten

Implantaten

Een implantaat is een kunstwortel waarop een kunstgebit of een enkele tand of kies kan worden vastgezet. Het implantaat bestaat uit een titaniumschroef die in het kaakbot wordt geschroefd. Na enkele weken gaat het implantaat een vaste verbinding aan met het bot.

Wanneer iemand lange tijd een kunstgebit heeft gedragen kan het botweefsel van de onder of bovenkaak slinken, waardoor het kunstgebit niet meer goed vastzit. Het vastzetten van het kunstgebit door middel van implantaten kan verdere slinking van het botweefsel voorkomen. Voor het (opnieuw) vastzetten van een kunstgebit in de onderkaak volstaat meestal een tweetal implantaten. In de bovenkaak is de behandeling wat gecompliceerder en zijn vaak meerdere implantaten nodig. Na twee tot drie maanden kan de prothese via een systeem worden vastgeklikt aan de kaak. Vervanging van enkele tanden of kiezen bieden met de implantatietechniek een goede oplossing, zowel cosmetisch als functioneel (afbijten en kauwen).

Voorafgaand aan de behandeling wordt bekeken of de mondholte en/of de kaak geschikt is voor implantatie. Röntgenfoto's worden gemaakt en de botdikte wordt opgemeten. De behandeling vindt plaats onder lokale verdoving. Met een boortje wordt een gaatje gemaakt in het kaakbot en het implantaat wordt als een schroef ingebracht. Het wondje in het tandvlees wordt gehecht. De behandeling duurt ongeveer een half uur. Omdat het weefsel rondom het implantaat goed schoon moet worden gehouden is de nazorg erg belangrijk. Het implantaat mag de eerste zes tot acht weken niet worden belast.


Prothese-problemen

Irritatie van slijmvliezen van de mond kan bij patiÎnten veel last veroorzaken. Daarnaast is er een aantal aandoeningen van de slijmvliezen bij met name dragers van een kunstgebit. Bijvoorbeeld zweertjes (vaak door een te hoge rand van het kunstgebit), de zogenaamde irritatie-hyperplasie (een weefselgroei rond de randen van de prothese) of kleine uitstulpinkjes van het slijmvlies (de zogenaamde irritatiefibromen).

De behandeling van deze aandoeningen liggen vooral op het gebied van aanpassing van protheses en soms behandeling met medicijnen. Chirurgische aanpak van bijvoorbeeld irritatiefibromen behoort tot de mogelijkheden.


Correctie kaakwal

Bij een te grote slinking van botweefsel of een ontstane deuk in het bot kan het nodig zijn om als voorbereiding op de implantatie een bottransplantatie uit te voeren. Bij kleine transplantaties wordt bot gewonnen uit de kaak zelf. Bij grotere transplantaties wordt bot gewonnen uit de bekkenkam of scheenbeen. Dit laatste gebeurt onder narcose.

Het dragen van een gebitsprothese kan worden bemoeilijkt door afwijkingen aan de boven- of onderkaak. Botuitstulpingen, richels en indeukingen van de kaakrand (de zogenaamde ‘kaakwal') moeten voor het plaatsen van prothesen worden behandeld, bijvoorbeeld door de kaak glad te maken.


Botopbouw

In de kaakchirurgie zijn criteria opgesteld voor de dikte van het kaakbot om de geschiktheid te beoordelen voor implantaties of gebitsprothesen. In bepaalde gevallen zal de hoeveelheid botweefsel moeten worden aangevuld vanuit andere delen van het lichaam. Bij de vervanging van ÈÈn of enkele tanden of kiezen die duidelijk zichtbaar zijn, bijvoorbeeld tijdens het lachen, is het heel belangrijk dat de kaakwal een goede vorm heeft bij het plaatsen van een implantaat. In dat geval wordt ook nogal eens tot een voorafgaande botopbouw besloten.

Bij kleinere hoeveelheden benodigd botweefsel kan worden volstaan met transplanties vanuit naburig bot uit de kaakrand of de kin. De ingreep is betrekkelijk klein, gebeurt onder lokale verdoving en uiterlijke littekens zijn niet te zien. De ingreep kan wel meerdere dagen klachten tot gevolg hebben zoals pijn en zwelling. Bij grotere transplantaties wordt botweefsel uit de bekkenkam of uit het scheenbeen verkregen. Deze ingrepen gebeuren altijd onder narcose.